Sneeuw in Teheran
Het zijn de rivierstenen in de lemen muren
waarbij een ekowoning groot en verwaand afvaart
als een drijvende architectenresidentie bovengekomen
uit verlangen naar eenvoud.
Het van de ruige oever gesprokkelde doorweekte hout
in bundels met touwen omwonden op het droge getrokken
waar de mannen als redderende Chinezen ze tillen
in een verstofte pick-up.
Het is het doek voor de ingang tegen de wind
gekleurd alsof daarmee het zand op een dwaalspoor
de muren langzaam stukslaat alsof het besproken geheimen
tegenhouden kan.
Het zijn de hoge tonen op de bouwplaats als hij struikelt
als Baran als jongen de thee rondbrengt die niet klinken
als geen van de kleine vuren onder tonnen specie dooft
als iemand neerstort.
Een brief van touw omwonden als schuldbekentenis
waar bankpapieren in stapels mondjesmaat wisselen
en de fascinatie voor het andere meisje niet anders
dan via viagebrekkige vaders en verre neven vertrokken naar thuisland
en meegenomen Baran het laatst ziend vanwege
boezemgêne door van touw gehaakte zichtbescherming
in jadegroene doeken.
Naar aanleiding van de Iraanse film ‘Baran’.
